2e Bataillon Grenadier Compagnie
 


                                         Noord - Nederland
                            

                                                Geschiedenis
                                             


 

Ieder Bataillon bestond vanaf de oprichting op 23 nov. 1813 uit zes Compagniën, (4x centrum-, en 2x flank-,) + 1x depot-compagnie.
Ieder Compagnie bestond uit twee Pelotons. Elk Peloton uit twee Secties. Elke Sectie uit twee Escouades.

Elke Escouade bestond uit 12 tot 14 Grenadiers onder leiding van een korporaal.

De samenstelling van iedere Compagnie was: 1x Kapitein, 1x 1e-Luitenant, 1x 2e-Luitenant, 1x Sgt-majoor, 4x Sgt., 1x Fourier, 
8x Korporaal, 2x Tambour, 1x Pijper, ong. 112x Grenadiers.

 

Hieronder enkele afbeeldingen van het Noord-Nederlandse en Zuid-Nederlandse Grenadier-, en het Linie - uniform

Noord-Nederlands ...                                                                           Zuid-Nederlands 
      Teupken_7eBVL.jpg (73480 bytes)                FusPlaat.jpg (5104 bytes)                nl_7bn02_70.gif (71421 bytes)   Fus7eBVL.jpg (12988 bytes)  

2e NN Grenadier  2e NN Officier    7e NN Grenadiers                       De shakot-plaat                      7e ZN  Grenadiers      7e ZN Fuselier - Linie Infanterie


Bevelhebbers
-
Biografieën 

Download zijn Biografie (81kB)  Perponcher_Luit.-Gen.Baron H.G. Graaf de
Download zijn Biografie (75kB)   Bylandt_Gen-Maj. W.F.Baron van
Download zijn Biografie (19kB)   Vandensande_Lt-Kolonel F.C.

 

Troepen in Waterloo - Bevelstructuur / Verliezen  (download het WORD-document)

Downloaden (30kB)  1e Legerkorps - 2e Div. - 1e Brigade - 7e B.I.v.L. 
Downloaden (21kB)   2e Divisie - 1e Brigade  

Downloaden (19kB)   7e Bataljon Infanterie van Linie  

                         

Downloaden (30kB)   Verliezen van de 2e Divisie

 

Napoleon en het Franse Rijk  (download het WORD-document)

Downloaden (25kB)  Coalitieoorlogen tegen Frankrijk (1792 - 1815)

 
de Nederlanden
 
(download het WORD-document)
Downloaden (28kB)  Holland 1813 - Help!  De kozakken komen
Downloaden (116kB)
  De Nederlanden tussen 1796 - 1849 

 

Verhalen: "De Lotgevallen van een Garde d'Honneur" (1) (download het WORD-document)
                  "De lotgevallen van Dominicus Kneepkens" (2) (download het WORD-document)

 

             garde_d'Honneur.jpg (33673 bytes)                                              
      In full-colour             Klik om te 'downloaden'.(1)      Idem (2)

De Geschiedenis van het Noord- Nederlandse Bataljon Infanterie van Linie nr. 2

 Het ontstaan

                 In 1812 werd de Grande Armée vernietigd tijdens de Russische Veldtocht. De Bevrijdingsoorlogen begonnen om de Fransen te verdrijven. Op 16-18 oktober 1813 werd Napoleon verslagen in de Volkerenslag bij Leipzig. Veel bondgenoten van Napoleon kozen de zijde van de Geallieerden. Napoleon trok zijn legers terug en liet garnizoenen achter in verschillende grote steden. Ook in Nederland trokken de Franse troepen zich terug toen het Geallieerde Noordelijke Leger onder Bernadotte Nederland binnentrok, voorafgegaan door een voorhoede van kozakken. De bevolking kwam in opstand en er werd een voorlopige regering aangesteld. Men ijverde voor de terugkeer van de Oranjes. Op 28 november 1813 trok Generaal Molitor zich terug in Gorinchem. Op 29 november landden de eerste Britse troepen in Scheveningen, te weten 200 Royal Marines. En op 30 november keerde in Scheveningen de Prins van Oranje terug, die de titel van ‘Souverein Vorst‘ aanneemt.

                Met de Bevrijdingsoorlog op handen werden verschillende eenheden opgericht voor het vormen van een nieuw leger dat kan helpen de Fransen te verdrijven. Op 23 november 1813 werd J.E. Phaff (1751-1823) benoemd tot Kolonel van het door hem op te richten regiment infanterie. Phaff was voor 1795 Luitenant-kolonel in het Staatse Leger. Zodra de omwenteling begon had hij de overheid in Rotterdam, later het algemeen bestuur, aangeboden op eigen kosten een regiment op te richten. Dezen hadden zijn aanbod in eerste instantie afgewezen. De Prins van Oranje nam uiteindelijk zijn aanbod aan. De bedoeling was dat het regiment uit meerdere bataljons zou bestaan. Hij verkocht zijn effecten (met verlies) en met de opbrengst, ruim 20.000 gulden, richtte hij 4 wervingsbureaus op. De werving van rekruten verliep voorspoedig: binnen 13 dagen hadden zich 388 rekruten gemeld. Na 3 weken marcheerde het eerste bataljon, ong. 400 man, voor haar vuurdoop naar Breda.

 Afstamming en voortzetting

                Het Staatse Leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden eindigde, na reorganisaties ten gevolge van de Bataafse Omwenteling (1795) en de stichting van het Koninkrijk Holland (1806-1810) zijn zelfstandig bestaan toen het bij de inlijving van Nederland bij het Franse keizerrijk in Napoleons ‘Grande Armée’ werd opgenomen. De van oorsprong Hollandse regimenten werden uiteindelijk in 1814 officieel ontbonden. Daarmee eindigden de tradities van de oude Nederlandse regimenten. De eenheden die in 1813-1814 zijn opgericht zijn geen voortzetting van de oude Staatse regimenten. De Koninklijke Landmacht beschouwt deze eenheden echter wel als voortzetting van de overeenkomstige eenheden: bij Koninklijk Besluit d.d. 12 maart 1977 (nr. 101; ministeriële beschikking d.d. 4 augustus 1977, nr. 10746/A;  Landmachtorder nr. 77023) is vastgelegd dat het Bataljon Infanterie van Linie nr. 2 (BI2), vanaf 1816 2e Afdeeling Infanterie, vanaf 1841 2e Regiment Infanterie (2 RI)  de opvolger is van het in 1805 gevormde Regiment Infanterie nr. 2 van de Bataafsche republiek, welke als RI 2 gedurende het Koninkrijk Holland, en na de inlijving als het 124ème Régiment Infanterie de Ligne heeft bestaan.

                In dat geval begint de afstamming van de eenheid bij de oprichting van het Regiment van Lambert Charles op 18 november 1602. Dit stamonderdeel vocht in in de Slag bij Seneffe (11 augustus 1674) onder Willem Adriaan Graaf van Hoorne. Verschillende stamonderdelen vochten gedurende de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) in de slagen bij Ramillies (23 mei 1706), Oudenaarde (11 juli 1708) en Malplaquet (11 september 1709). Het oudste stamonderdeel heeft gedurende deze periode, van 1699 tot 1711, gediend als mariniers onder kolonel Philippe Claude Touroud de St.-Amant. Over de rest van de 18e eeuw is verder weinig bekend. In 1795 worden de Staatse regimenten gereorganiseerd in Halve Brigades; 2Bat/1HB en 3Bat/1HB, en 1Bat/2HB streden in 1799 onder Luitenant-genraal W.H. Daendels tegen de Russen en Britten in Noord-Holland; in 1803 werden deze bataljons omgenummerd tot BI2, BI3 en BI4, welke in 1805 weer zouden worden samengevoegd tot RI2. Het regiment hield dit nummer gedurende de periode van het Koninkrijk Holland, totdat het regiment na de inlijving van het koninkrijk bij het Keizerrijk Frankrijk in de lijn werd opgenomen als het 124ème Régiment Infanterie de Ligne; 1Bat/RI2 vocht in Spanje en werd eerst het 123RI, later 130RI. 124RI vocht in Rusland in o.m. de Slag bij Polotsk (18 augustus 1812); de latere commandant van BI2 gedurende de Waterloo-campagne, Johannes Speelman, diende in dit regiment, evenals zijn broer Adrianus, die bij Polotsk dodelijk gewond raakte nadat hij de ‘aigle’ van het regiment had overgenomen van een gesneuvelde vaandrig. Al deze wapenfeiten spelen overigens geen rol in de traditiehandhaving van het Regiment Limburgse Jagers.

               Het Regiment Van Phaff werd opgericht 23 november 1813 door de gelijknamige kolonel. Na de officiële oprichting van de Koninklijke Landmacht op 9 januari 1814 wordt het regiment gereorganiseerd en genummerd tot BI2. Na de Waterloo-campagne werd het BI2 samengevoegd met de Bataljons Nationale Militie nrs. 16, 17 en 18 tot de 2e Afdeeling Infanterie, onder bevel van Kolonel J. Speelman. In 1841 werden de Afdeelingen omgezet in Regimenten.

                Het 2 RI werd uiteindelijk opgeheven op 1 juli 1950, samen met 6 RI en 11 RI; de tradities van deze regimenten zouden worden voortgezet door het op dezelfde dag opgerichte Regiment Limburgse Jagers (RLJ; Koninklijk Besluit d.d. 1 juli 1950, nr. 27). Door voortzetting van de tradities van 6 en 11 RI is RLJ ook een afstammeling van een aantal andere stamonderdelen die gevochten hebben in de Waterloo-campagne, te weten BI7, BJ36, BNM8 en BNM17.  

 

 II. Krijgsverrichtingen
 

 In dit gedeelte zal alleen het optreden van het bataljon gedurende de Bevrijdingsoorlog en de Waterloo-campagne worden behandeld.

 Het beleg van Breda

                 De Fransen trokken zich in november en december 1813 meer en meer terug uit Nederland, met achterlating van garnizoenen in enkele grote vestingsteden. Het garnizoen van Breda werd in eerste instantie wel versterkt, zij het met eenheden mariniers en Nationale Garde. De voorhoede van de Russische troepen, onder leiding van Generaal-majoor Staal, was echter onderweg om Breda in te nemen. Generaal-majoor Staal verzocht een notaris uit Werkendam,  de heer B.A. de Jong, het gerucht te verspreiden dat een enorme legermacht onderweg was om Breda te belegeren, voorafgegaan door tenminste 3.000 kozakken. De Jong werd aangehouden op 9 december, met de bedoeling dat hij het nieuws niet zou rondbazuinen, maar op 10 december werd om 6.00 uur ’s ochtends zijn bewaker weggeroepen. Samen met een zekere heer J.J. Sassen uit Den Bosch, die schijnbaar ook was aangehouden, ontdekte hij dat om 8:00 uur de laatste Franse soldaat Breda had verlaten en de poort letterlijk achter zich op slot had gedaan. Aangezien de bevolking huiverig was om de poort open te breken deden beide heren dit. De Jong haastte zich naar Generaal-majoor Staal, en de eerste patrouille arriveerde om 9:30 uur in Breda. Om 11:00 uur trok de Jong, samen met Generaal-majoor Staal en de voorhoede van de Russische troepen triomfantelijk Breda binnen. Op 12 december werden de sleutels van de stad aangeboden aan de Prins van Oranje, die tot Souverein Vorst der Nederlanden was uitgeroepen. Op dezelfde dag werd een Bataljon Schutterij gevormd van 500 man.

                 De Fransen zaten echter niet stil. Onder leiding van de generaals Roguet en Lefebvre-Desnouettes was een legermacht verzameld van ong. 10.000 man en 30 stukken geschut, die inmiddels de tegenaanval hadden ingezet; het volgende doel was Breda wederom op de Russen te veroveren. De Russen werden voor hen uitgejaagd en trokken zich terug binnen de vesting. Het garnizoen bedroeg zo’n 3.000 man. Inderhaast werd door de provisionele regering elke beschikbare eenheid van het pas opgerichte Nederlandse leger naar Breda gestuurd. Op 15 december werd vanuit Delft een compagnie kustkanonniers met geschut gestuurd; uit Willemstad werd meer geschut gestuurd dat zopas op de Fransen was veroverd. Het enige beschikbare Nederlandse infanteriebataljon dat kon worden gestuurd was een bataljon van het Regiment Van Phaff, dat 3 weken eerder was opgericht. Gekleed en bewapend vertrok het bataljon, bestaande uit 4 compagnieën, onder leiding van de majoor Rost van Tonningen naar Breda (Kolonel Phaff zelf was te ziek om mee te gaan). Het vertrek was zo gehaast dat er geen patronen waren meegenomen. Van de 400 man van het bataljon waren er maar 180 die enige gevechtservaring hadden.

                Uiteindelijk groeide gedurende het beleg het garnizoen uit zo’n 3.500 man en 12 stukken geschut, samengesteld uit Russische, Pruisische en Nederlandse troepen. De stemming was goed: een Franse gezant die de vesting kwam opeisen werd afgewezen. In de ochtend openden de Fransen de aanval op de Antwerpsche Poort, welke verdedigd werd door 250 Russische Jagers. Die middag arriveerde Majoor Rost van Tonningen met zijn bataljon; onmiddellijk werd deze ingezet bij de Antwerpsche Poort die zwaar onder vuur lag. Toen de gevechten afnamen werd begonnen met het versterken van de posities rond de poort. Pruisen, Russen en Nederlanders, burgers en soldaten, werkten diep in de nacht door om de geschutsstelling gereed te maken. Na een nacht hard werken, bemoeilijkt door de onervarenheid van de burgers en troepen, en de taalproblemen, stonden de 12 stukken geschut in stelling.

 Op 21 december begonnen de Fransen om 13:30 uur met hun bombardement van de stad. De beschieting werd beantwoord met het geschutsvuur vanuit de stad en had als resultaat dat enkele Franse kanonnen buiten werking werden gesteld. De Fransen openden de aanval op de Waterpoort, dat niet door het geschut werd gedekt. Toen de aanval werd ontdekt werden het bataljon van Phaff en de zopas georganiseerde schutterij daarheen gestuurd. Daar hebben beide eenheden zich flink verweerd en de aanval afgeslagen. In dit gevecht hebben zich bijzonder onderscheiden de luitenant Finkler, die ondanks zijn schotwond aan de arm bleef doorvechten met zijn manschappen, en de sergeant J.T. Kouwenberg, die alleen tegen 4 Fransen vocht, 3 van hen neervelde de 4e gevangen nam. Beiden werden op voordracht van Kolonel Phaff bevorderd wegens hun gedrag, Finkler tot Kapitein, Kouwenberg tot 2e Luitenant. Bovendien werd Finkler aan Tsaar Alexander voorgedragen voor een ridderorde door Generaal Benckendorff. Ook de manschappen werden beloond: op 21 januari 1814 werd een machtiging verleend om als gratificatie 5 dagen soldij uit te betalen aan 21 sergeanten, 29 korporaals en 84 soldaten van het Bataljon Infanterie van Linie nr. 2, voor hun gedrag tijdens de actie. Kolonel Phaff schreef op 24 december 1813 aan de commissaris-generaal van Oorlog:

“Lofwaardig hebben zij zich gedragen, zulks is de algemeene stem, en de Russische Generaal Benckendorff is er ten uiterste van voldaan.”

               De Pruisische majoor Von Colomb zou later in zijn memoires schrijven: “Von die Holländer kam das Beste.” Na de gevechten trokken de Fransen zich terug en gaven ze de belegering van Breda op. Na enkele benauwde dagen konden de burgers weer opgelucht adem halen en werd zelfs de verjaardag van Tsaar Alexander op 24 december gevierd. Er bleef echter voldoende te doen,  want de Fransen hadden de verdediging van de stad flink verwaarloosd in de voorgaande jaren, en men zette iedereen aan het werk om de vesting weer in goede staat te krijgen. Dit hield zelfs in dat er in januari 1814 geen burgers beschikbaar waren voor dienst in de Landstorm. Intussen werden meer Nederlandse troepen haastig naar Breda gestuurd, en werd Breda een doorvoer voor Pruisische, Russische en Britse troepen. Het bataljon van Phaff’s regiment werd op 23 december aangevuld met 80 deserteurs uit Franse dienst.

 Het beleg van Naarden

              Op 17 november 1813 was men begonnen met het insluiten van de vesting Naarden; de enige beschikbare troepen die men daarvoor had waren 4 bataljons Nationale Garde van Amsterdam, een 5e bataljon vrijwilligers en enkel kleinere vrijwillige eenheden. In de loop van de tijd sloten zich hier meer eenheden bij aan. Het kleine observatiekorps werd ondersteund door de Landstorm, die met de dag in getalssterkte toenam tot 1.200 man eind december. Generaal Kraijenhoff werd op 24 november aangesteld tot gouverneur van Amsterdam, en als zodanig was hij belast met de verdediging van dit gebied. Met de beperkte eenheden die hij tot zijn beschikking had wist hij Muiden en Weesp te zuiveren van Franse troepen, en kon de belegering van Naarden beginnen.

                Zijn tegenstander was Generaal Baron Quetard de la Porte, die het bevel voerde over een samengesteld garnizoen van ongeveer 2.250 man. Op 17 november, dezelfde dag dat in Amsterdam een Nederlands bestuur werd ingesteld en de omwenteling in feite begon, verklaarde Gen. Quetard de la Porte in staat van beleg. De bevolking werd geprest om mee te helpen met het weerbaar maken van de vesting tegen aanvallen van buitenaf. Veel had hij niet te vrezen, want de gebrekkige troepen die Gen. Kraijenhoff tot zijn beschikking had waren niet in staat om een aanval op de vesting uit te voeren. Daarom had de belegering van de Nederlandse troepen een meer verdedigend karakter. De Fransen daarentegen deden tussen 8 december 1813 en 15 maart 1814 maar liefst 26 uitbraakpogingen. Deze uitvallen waren met name bedoeld om zoveel mogelijk proviand te veroveren en in de vesting te brengen. Ook diende het om de compagnie pontonniers de gelegenheid te geven het voorterrein te ontruimen, wat door de belegeraars ernstig bemoeilijkt werd. De zwaarste verliezen die de Fransen leden werden veroorzaakt door desertie; het overgrote deel van het garnizoen bestond uit Nederlandse soldaten van de Nat.Garde en soldaten van Texel, en Pruisen van het 4e Bataljon, 4ème Regiment Étrangers, die elke mogelijkheid aangrepen om te deserteren.

                Al snel bleek dat Gen. Quetard onder geen beding de vesting zou overgeven. Vanaf 10 januari werden alle mannen van 18-60 jaar ter beschikking gesteld van de Kolonel der Genie Daulle, de ondercommandant van de vesting, om mee te werken aan het uitijzen der grachten. Om de belegering kracht bij te zetten werd Naarden vanaf 19 januari gebombardeerd, eerst nog onregelmatig, maar vanaf 14 februari dagelijks van ’s avonds 10 uur tot ’s nachts 4 uur. De bombardementen eisten niet veel slachtoffers, maar richtten zeer veel schade aan. Het artilleriepark waarover Gen. Kraijenhoff kon beschikken groeide echter gestaag naarmate er meer geschut aangevoerd werd. Al met al nam de druk toe. Ook werden vanaf 24 februari holle granaten, beschilderd met Franse en Nederlandse teksten en gevuld met pamfletten de stad in geschoten.

 

 Schilderij: Pieter Gerardus van Os.                             De halve maan voor Naarden bij het beleg, april 1814      SK-A-1103.    Copyright © Rijksmuseum Amsterdam

 De halve maan voor Naarden bij het beleg, april 1814. De aankomst van soldaten en kanonnen van de Nationale Garde van Amsterdam op de schans (in de vorm van een lunet of halve maan) buiten Naarden. P.G. van Os was kapitein van een eenheid Landstorm uit het kanton Loosdrecht, en heeft meerdere schilderijen en prenten van de belegering gemaakt. Dat hij een voorliefde had voor de kunst boven het krijgsgeweld blijkt uit het verslag van J.G. Matthes uit Haringcarspel, die beschrijft dat van Os en zijn eenheid “geen duit presteerden”. Niettemin berichtte Kol. Van den Bosch “dat hij onafgebroken bewijzen gaf van bereidwilligheid tot alles wat slechts eenigzins den lande dienstbaar was”.

                De op het schilderij zichtbare militairen zijn gekleed in bruine en donkerblauwe overjassen; het betreft soldaten van de Nationale Garde, ter herkennen aan de sjako’s met witmetalen sjakoplaten waarvan ze de adelaars hebben afgebroken. Enkelen dragen sjako-overtrekken van zwart wasdoek. Ook zijn er officieren te zien die al een oranje sjerp dragen. Aan overjassen was eerst een tekort, zodat de soldaten de strenge winter moesten trotseren in hun rokken. Ook was er eind december aan verschillende eenheden geen soldij meer uitbetaald. Niettemin was de stemming onder de belegeraars goed.

                     

 

 

 

 

 

De Kazematten voor Naarden-1814        Het Beschieten van Naarden- april      Het doorijzen van der Karnemelksloot bij Naarden-jan.1814

 Doordat de Nederlandse troepen steeds beter georganiseerd werden, werd het voor de Fransen steeds lastiger om te fourageren buiten de vesting. Er begon langzaam maar zeker een gebrek te ontstaan aan levensmiddelen. In januari had het garnizoen en de bevolking in Naarden een tekort aan koffie, thee, zeep, olie, kaarsen, gort, erwten, bonen, tabak, jenever, schoeisel en linnen. Vanaf 1 februari werd er strikt gerantsoeneerd, wat onder de soldaten tot een levendige woekerhandel in jenever leidde. Tot tweemaal toe werden burgers uit de vesting gezet die niet over voldoende levensmiddelen voor 6 maanden beschikten, wat de druk deed afnemen. Om te voorkomen dat de honger hem zou dwingen de vesting over te geven besloot Gen. Quetard om de manschappen van de Nationale Garde en van de eenheid van Texel op 3 maart de vesting uit te zetten. Na een inspectie vertrokken 250 man met achterlating van hun rokken en sjako’s, de volgende dag vertrokken nog eens 120 man die eerst nog wachtdienst hadden. Maar diezelfde dag raakte de voorraad brandstoffen uitgeput, zodat bij de burgers voor veel geld turf en brandhout gekocht moest worden.

                Verschillende keren werden onderhandelingspogingen ondernomen: de eerste keer, op 6 december, werden de gezanten simpelweg afgewezen. Op 17 januari vertoonde zich een afvaardiging bij de Amsterdamsche Poort, die echter door enkele douanen onder vuur werd genomen. 2 dagen later probeerde men het nog eens, maar een uur na hun vertrek begonnen de Fransen met een beschieting vanuit de vesting. Op 10 en 26 februari werden de onderhandelaars al onder vuur genomen voordat ze de vesting goed en wel genaderd waren. Maar op 5 april, na een verschrikkelijk bombardement, liet Gen. Quetard de gezanten toe. De eerste besprekingen leidden niet tot een overeenstemming, evenals de onderhandelingen de volgende dag. Op 8 april verscheen met de Nederlandse gezanten een Frans officier, generaal Rostollant, die de boodschap bracht dat over 14 dagen er een algehele vrede zou zijn. Gen. Quetard gaf echter nog steeds niet toe.  Pogingen op 15 en 16 april en 2 en 4 mei bleven zonder resultaat. Op 5 mei echter verscheen een nieuwe parlementair, een Frans hoofdofficier der Artillerie genaamd Lude. Namens de nieuwe Franse regering bracht hij de order om de vesting te ontruimen. De Raad van Defensie werd ogenblikkelijk bijeengeroepen om de overhandigde stukken te onderzoeken. Op 7 mei werd bevestigd dat Admiraal Ver Huel de stelling Den Helder had ontruimd en zijn troepen op doortocht waren door Haarlem. De Raad van Defensie te Naarden erkende Lodewijk XVIII als Koning van Frankrijk en besloot tot capitulatie van de vesting. De Franse driekleur werd gestreken en vervangen door een witte vlag, begeleid door 21 saluutschoten. De aanwezige 2 compagnieën kustkanonniers vervingen meteen hun rood-wit-blauwe kokardes door oranje exemplaren.

                  De bevolking werd verboden de Nederlandse vlag te hijsen voordat de Nederlandse bezetting de vesting zou binnentrekken. 8 mei kwamen Gen. Kraijenhoff en zijn staf in de vesting aan om een inventarisatie te maken. De zieken, veteranen, vrouwen  en kinderen werden met 5 schepen naar Antwerpen overgebracht. Het Franse garnizoen dat op 12 mei de vesting verliet was sterk 60 officieren, 940 onderofficieren en minderen, 20 paarden, 2 houwitsers en een 12-ponder. De bezetting verliet met alle krijgseer om 7 ’s ochtends de vesting en defileerde voor de Nederlandse troepen die op de Bussumse Heide waren opgesteld. De Franse troepen trokken over Amersfoort, Kuilenburg, Heusden, Tilburg, Hoogstraten en Antwerpen naar Rijssel.

                Om 9 uur trokken de Nederlandse troepen de vesting binnen: aan het hoofd Kolonel Bosch,  gevolgd door een detachement cavalerie, een eenheid vrijwillige scherpschutters, BI2, BI3, 1Bat & 2Bat Nat.Garde Amsterdam, BI4, 3Bat & 4Bat Nat.Garde Amsterdam, BI13, 5Bat Nat.Garde Amsterdam, een eenheid artillerie en een detachement cavalerie. De troepen werden met veel gejuich binnengehaald. Ze stelden zich aan weerszijden van de straat op, waarna om 10 uur Gen. Kraijenhoff zijn intocht deed, gesalueerd met 5 saluutschoten. Uiteindelijk werd op het stadhuis, onder het gedonder van 21 saluutschoten, de Nederlandse vlag gehesen.

                Wat het bataljon van het regiment Van Phaff betreft: op 1 januari 1814 werd ze opgenomen in de nieuw opgerichte Staande Armée en kreeg zij het nummer 2 toegewezen. Haar garnizoensplaats werd Delft. In maart werden 75 man ingelijfd van een compagnie vrijwilligers uit Goes, opgericht door de burgemeester van Goes, de heer Van der Spiegel. Op 18 april werden 3 compagnieën onder leiding van Maj. Rost van Tonningen naar Naarden gestuurd, samen met het BI4 onder Lt.-kol Poolman, om zich onder bevel van Gen. Kraijenhoff te stellen. Het BI2 heeft geen prominente rol gespeeld in de belegering, maar het feit dat Nederlandse troepen zelf de vesting hebben kunnen belegeren was veel belangrijker. Het nieuwe bewind toonde de Geallieerden dat de Nederlanders zichzelf wilden en konden helpen bevrijden.

Waterloo

                 In 1814 ging het bevel over het BI2 over op luitenant-kolonel J. Speelman, een veteraan van de veldtocht in Rusland die in het 124ème RI had gediend. Het bataljon was ingedeeld bij de 1e Brigade van de 3e Nederlandse divisie, onder bevel van Lt.Gen H.G. Baron Chassé.  Gen.Maj. Detmers stond aan het hoofd van de 1e Brigade. De Brigade omvat verder het Bataljon Jagers nr. 35 en vier Bataljons Nationale Militie, nrs 4, 6, 17 en 19. De 2e Brigade van Gen.maj. d’Aubremé, bestond uit BJ36, BI3, BI12, BI13, BNM3 en BNM10. Aan 3NL.Div was toegevoegd de Batterij Artillerie te Voet van Kapitein J.H. Lux en de Batterij Rijdende Artillerie van Kapitein C.F. Krahmer de Bichin. De 3e Nederlandse Divisie was onderdeel van het I Corps onder leiding van de Prins van Oranje.

 Begin juni 1815 waren de voorbereidingen voor een invasie van Frankrijk nog in volle gang. Op 14 juni kwamen de eerste berichten binnen over een op handen zijnde Franse opmars. Chassé stuurde op 15 juni een bericht dat de avond daarvoor een Nederlandse cavaleriepatrouille een Frans bericht had onderschept waarin de Franse opmars werd aangekondigd. Dit werd eerst niet al te serieus genomen. Op 15 juni echter maakten de Nassause troepen van de 2Brig/2NL.Div. contact met de Fransen. De Hertog van Wellington besloot om alle divisies naar Nivelles terug te trekken. In afwezigheid van de Prins van Oranje echter besloot de Chef-staf van het Nederlandse leger, Generaal De Constant-Rebecque, om de 2NL.Div. van Lt.gen. H.G. baron de Perponcher Sedlnitsky bij Quatre-Bras te concentreren, wetende hoe belangrijk dit kruispunt is; de orders van Wellington had hij, zo verklaarde hij later, “niet op tijd ontvangen”. Lt.gen. De Perponcher, Gen.maj. W.F. Graaf van Bijlandt (commandant van de 1Brig/2NL.Div) en Prins Bernhard van Saxe-Weimar namen het besluit om Quatre-Bras te verdedigen. De 24-jarige Bernhard van Saxe-Weimar, die pas de dag daarvoor als brigadecommandant was aangesteld over de 2Brig/2NL.Div., lichtte zijn officieren in met de woorden: “Ik heb geen enkele order ontvangen, maar ik heb nog nooit gehoord dat men een campagne begint door terug te trekken. Wij zullen dus standhouden bij Quatre-Bras.”

Op 16 juni vielen Franse troepen van Ney de Nederlandse troepen aan bij Quatre-Bras. De 3NL.Div. werd naar de gevechten toe gedirigeerd maar maakte geen gevechtscontact. De divisie kreeg die avond het bevel om naar Nivelles te gaan. Op 17 juni marcheerde de divisie in de stromende regen richting Brussel en nam het posities in op de rechterzijde van de Geallieerde posities, eerst ook rond Hougoumont, maar ’s avonds uiteindelijk rond het dorpje Braine l’Alleud. Hier zou Chassé met zijn divisie moeten standhouden teneinde de rechterflank van de Geallieerden te dekken. Het Geallieerde leger werd opgesteld langs de weg Nivelles-Ohain, met voorposten in de hoeve Hougoumont (Britse Garde), de hoeve La Haye Sainte (KGL) en de sector rond Papelotte, la Haie, Smohain en Frischermont (2Brig/2NL.Div). 2Brig/3NL.Div stond achter Braine l’Alleud opgesteld op moerassig terrein dat gedekt werd door heggen en bossages; de beide flankcompagnieën van BJ36 werden verspreid om elke opening in de heggen te dekken. Dit gebeurde in het zicht van vijandelijke patrouilles. 1Brig/3NL.Div stond als volgt opgesteld: 3 bataljons voor het dorp (met een tirailleurslinie uitgezonden voor het front), 2 bataljons in reserve op het dorpsplein, en 1 bataljon ten oosten van het dorp om contact te houden met het Geallieerde leger. Een groot gedeelte van de manschappen bleef lange tijd buiten de gevechten. In tegenstelling tot wat lange tijd is gedacht was het niet mogelijk voorraden te verkrijgen van de lokale bevolking; de burgers waren huiverig voor de vele soldaten en onzeker over wat ze die dag te wachten stond. Enkele soldaten begonnen de huizen te plunderen. Tegen de plunderaars werd echter hard en bloedig opgetreden: ze werden onder vuur genomen en bestormd. Veel plunderaars werden gedood of gewond. Daarna was de orde weer hersteld.

Teneinde de Franse patrouilles beter in de gaten te kunnen houden liet Chassé een bataljon van 2Brig een vlakbij gelegen bos bezetten. Tijdens schermutselingen met de Franse lichte cavalerie waren enkele flankeurs van BJ36 gevangen genomen. Chassé beschikte niet over cavalerie en hij bleef zeer beducht voor een mogelijke aanval. Het dorp werd gebarricadeerd. De chef-staf, Maj.gen. J.V. baron de Constant Rebecque, kwam 3NL.Div. inspecteren en gaf orders om Braine l’Alleud kostte wat kost te verdedigen. Maar voor de slag begon realiseerde Wellington zich dat het Franse leger zich juist opstelde voor La Haye Sainte en zijn linkervleugel. 3NL.Div. kreeg de order om op te trekken en een positie dichter bij de 2e Britse Divisie in te nemen. De manschappen beseften dat ook zij wel eens in de gevechten betrokken konden worden en begonnen zich voor te bereiden. De divisie trok om ongeveer 11:00 uur op in carré’s en nam eerst een positie in buiten het dorp, waar men een uitstekend overzicht had van de gevechten die inmiddels waren begonnen. Hier verloor 1Brig bijna haar commandant: een Franse kanonskogel sloeg in de grond vlak voor het paard van Detmers; het paard steigerde, maar hij gaf geen krimp en wist het paard tot bedaren te krijgen.


                  De Geallieerde linie had veel te lijden onder de aanhoudende Franse aanvallen; keer op keer ondernamen de Fransen kostbare cavalerieaanvallen op de Britse en Hannoverse carré’s, terwijl de Britse Garde zich met de moed der wanhoop verzette tegen de herhaalde aanvallen op Hougoumont. In het centrum werd na bittere gevechten La Haye Sainte ingenomen. Rond Plancenoit, op de Franse rechtervleugel, werden in de loop van de middag de eerste Pruisische troepen gesignaleerd. Napoleon moest nu zijn Jonge Garde inzetten om de Pruisen zo lang mogelijk op afstand te houden teneinde tijd genoeg over te houden om de Geallieerden voor zich te verslaan. rond 15:00 uur een positie in ten noorden van Hougoumont. 1Brig werd in linie opgesteld achter en langs de weg, van west naar oost BJ35, BI2, BNM4, BNM6, BNM19 en BNM17; 2Brig stond rechts daarvan in 2 colonnes van sectiën (rechtercolonne BJ36, BI3 en BI12, linkercolonne BI13, BNM3 en BNM10). De divisie werd door de Franse artillerie onder vuur genomen en vervolgens aangevallen door Franse cavalerie, waarop carré’s werden gevormd om de aanvallen af te slaan. De eerste linie had vele te lijden van het Franse vuur. De divisie bleef zo tot 18:00 uur staan, telkens wisselend van positie en formatie, waarbij de veteranen de grootste moeite deden om de jongere soldaten in het gelid te houden. Een opmerkelijk incident was dat een Franse officier der kurassiers overliep naar de Geallieerden; hij meldde zich om 17:00 uur bij lt.kol Van Thielen (BNM6) en verzocht om Wellington te spreken.

In een laatste poging de Geallieerde linies te doorbreken stuurde Napoleon zijn laatste reserve, de regimenten Grenadiers en Chasseurs van de Oude- en Midden-Garde. De Franse colonnes marcheerden het plateau op, waarbij ze door de Geallieerde infanterie en artillerie onder vuur werden genomen. Ondanks de zware beschieting door de Guards Brigade van Maitland bleven de Fransen langzaam maar zeker oprukken. Een aantal Britse eenheden, die de hele dag onder vuur hadden gelegen, sloegen op de vlucht. Tussen 5Brig/3Br.Div. van Maj.gen. Halkett en het Brunswijkse contingent op de rechtervleugel was nu een opening ontstaan; en de Britse artillerie raakte door hun munitie heen. Op deze zwakke plek had de Franse Garde het voorzien. Een Britse Aide-de-Camp snelde naar Gen.maj. Detmers met het dringende verzoek om drie bataljons in de voorste linie op te stellen. Detmers liet BJ35, BI2 en BNM4 in colonne van sectiën oprukken. Chassé liet de overige bataljons volgen; de gehele brigade stond nu opgesteld achter de geallieerde linie. Chassé sprak zijn mannen toe: “[…] jullie zullen de tweede linie verlaten en vooruitgaan naar de voorste, blijf kalm, vertrouw op mijn leiderschap en vooral op jullie officieren. De slag is nog niet beslist, maar het zal jullie veel voldoening geven om aan de beslissing te hebben bijgedragen.” Chassé liet elk bataljon van 1Brig. een colonne van sectiën formeren en nam een positie in aan het hoofd van BNM6. De Batt.RA van Kapt. Krahmer de Bichin reed vooruit, nam een positie in naast de Britse artillerie en joeg een moordend kartetsvuur door de Franse gelederen. De divisie ging voorwaarts, de garde tegemoet. Wat volgde was een vuurgevecht, waarbij beide zijden enkele salvo’s losten; de Nederlandse en Belgische soldaten waren geprikkeld dat ze er niet op af mochten gaan met de bajonet om de vijand te verdrijven. De Fransen besloten zich terug te trekken en te hergroeperen, ten westen van La Haye Sainte.

Opnieuw ging de Franse Garde vervolgens ten aanval. Dit keer besloot Chassé om de Fransen met de bajonet te verdrijven; hij trok zijn degen en riep: “Voorwaarts generaal Detmers en val aan met de bajonet!” De Rijdende Artillerie snelde wederom voorwaarts en opende het vuur, waarbij ze de oprukkende colonnes veel schade toebrachten. De infanteristen stormden voorwaarts, wild enthousiast, sommigen met de sjako’s op de bajonet, onder het geroffel van de trommen en de roep: “Leve de Koning! Oranje boven!” De bataljons waren (hoogstwaarschijnlijk) in 6 colonnes naast elkaar opgesteld, en beukten op de bataljons van de Midden-Garde; de Franse soldaten van 1/3eme Gren.GI en 4eme Gren.GI, die zo zwaar onder vuur hadden gelegen en dachten de vijand eindelijk te hebben verslagen, bezweken onder de druk van de duizenden ‘verse’ troepen, en sloegen op de vlucht; sommigen gooiden hun berenmutsen en ransels weg. In de boomgaard van La Haye Sainte probeerden de Gardegrenadiers nog een defensieve positie in te nemen.

De troepen van Detmers achtervolgden de vijand tot voorbij Hougoumont. 1Brig verdreef in een verwoede aanval de Fransen uit de boomgaard van La Haye Sainte. BI2 kwam in gevecht met een eenheid Garde Grenadiers. Een aanval van zo’n 300 Franse kurassiers werd afgeslagen door 50 flankeurs van BNM19 onder leiding van Kapitein De Haan. Uiteindelijk passeerden de bataljons de straatweg naar Brussel en ze de “Grande Batterie”, passeerden de kanonnen en de munitiewagens en bleven de Fransen achtervolgen tot voorbij deze positie. Chassé sprak lt.Kol Speelman toe: “Kolonel Speelman, voorwaarts! Haast u, val aan met de bajonet, de Fransen wankelen, ze vallen terug!”

                Het BI2 ging in de aanval, vooraf gegaan door de Rechterflankcompagnie, met aan het hoofd Luitenant Morre en 2e Luitenant Van Burmania Rengers.

Een kwartier nadat 1Brig/3NL.Div de aanval had geopend en de Fransen achtervolgde gaf Wellington het signaal voor de algehele opmars van het Geallieerde leger. Toen de Garde op de vlucht sloeg, en de Pruisen doorbraken op de Franse rechtervleugel, stortte het Franse leger in. Napoleon vluchtte onder dekking van het 1er Grenadiers van de Garde, terwijl de Franse soldaten met duizenden in paniek maakten dat ze wegkwamen. De Nederlandse en Geallieerde troepen bleven hen achtervolgen tot de avond viel, daarna gingen de Pruisen tot de achtervolging over. Alle Nederlandse eenheden bleven overnachten op het slagveld.

De aanval van 1Brig/3NL.Div was een kostbare geweest: het overweldigende succes was ten koste gegaan van grote verliezen. BI2 verliest 19% van haar officieren en minderen; de andere verliezen zijn: BJ35 - 12%, BNM4 – 14%, BNM6 – 8%, BNM17 - 11%, BNM19 – 17% (totaal 1Brig/3NL.Div = 13%). Na de slag marcheerde BI2 Frankrijk binnen. Parijs werd bezet en Napoleon werd verbannen naar Sint Helena. In 1816 keerde BI2 terug in Nederland; daar werd ze samengevoegd met BNM16, BNM17 en BNM18 tot de 2e Afdeeling Infanterie, onder bevel van Kolonel J. Speelman.